David de Jongh: ‘Observeren geeft macht’

Tijdens mijn master Journalistiek & Media (UvA) interviewde ik documentairemaker David de Jongh – Januari, 2014

‘Ik heb juist heel sterk de behoefte dat mensen naar mij luisteren. Maar ik luister de hele tijd naar anderen’, concludeert David de Jongh (Amsterdam, 1967) na anderhalf uur interview. Een gesprek dat over zijn fascinatie voor anderen had moeten gaan, gaat voornamelijk over hemzelf.

David de Jongh is documentairemaker. Op het laatste IDFA ging zijn nieuwste film Foto-Eddy in première, een documentaire over zijn vader Eddy de Jongh. In de jaren zeventig een gevierd fotograaf bij Vrij Nederland. De film is een zoektocht naar de geheimen en beweegredenen van zijn vader; hoe hij van reportagefotograaf afzakte naar een eenvoudig portretfotograaf bij het NOS-Journaal, waar hij inwisselbare foto’s maakte van belangrijke Nederlandse gebouwen; en hoe zijn vader omging met het verlies van zijn familie, die in de Tweede Wereldoorlog in vernietigingskampen werd vermoord. Foto-Eddy volgt een reeks portretten die De Jongh eerder maakte van onder andere Ischa Meijer, Frans Bromet en Otto Frank.

De Jongh wil graag afspreken bij hem thuis, een vooroorlogse eengezinswoning in het centrum van Zeist. ’s Avonds als de kinderen slapen. Bij binnenkomst verontschuldigt hij zich alvast. ‘We worden straks onderbroken door iemand van Marktplaats die ik een lens moet verkopen’. Na twintig minuten wordt er aangebeld. Een man met een boodschappentas komt binnen, schroeft de lens op zijn camera en inspecteert de kamer terwijl hij door de zoeker tuurt. De Jongh staat er afwachtend bij. Na vijf minuten is de lens verkocht en wordt het interview hervat. De Jong merkt op: ‘Een van mijn eerste interviews was met Theo van Gogh. Ik zat in de vensterbank en hij ging gewoon door met het schrijven van zijn stukje. Hij keek me ook niet aan. Het hele huis stonk naar de stront van zijn zoon die hij waarschijnlijk niet verschoond had’. Bij aanvang van het interview vraagt De Jongh of hij het ook op mag nemen. De voice-recorder blijft twee uur lang aanstaan.

‘Het opnemen is me met de paplepel ingegoten. Mijn vader deed het ook. Ik heb opnames van een reis naar Frankrijk die mijn ouders maakten. Bij ieder tankstation maakte mijn vader een verslagje. Uiteindelijk komen ze aan bij het hotel, praten wat en klimmen dan in bad.’

Waren dat bijzondere momenten?
‘Nee, hij nam juist heel alledaagse dingen op. Hij heeft bijvoorbeeld ook alle berichten van zijn antwoordapparaat bewaard.’

Hebt u ooit gevraagd waarom hij dat deed?

‘Nee. Het was heel vanzelfsprekend dat hij dat deed’

‘Eind jaren tachtig ben ik de bandjes gaan luisteren. En ook al heb ik een heel zware jeugd gehad, ik vond het heel prettig om er naar te luisteren. Het zijn opnames uit een tijd dat het thuis nog relatief leuk was. Met name vakanties, die waren een feest. Ik ben heel blij dat hij dat heeft opgenomen. Ik laat nu soms een halve dag mijn recorder aan staan om mijn kinderen op te nemen. Indachtig hoe ik vroeger genoten heb van de opnames van mijn vader, van de geluiden van een andere tijd.’

De Jongh spreekt rustig en weloverwogen over zijn fascinatie voor geluid, die op achtjarig leeftijd begint als hij de cassetterecorder van zijn ouders ontdekt. Hij neemt nieuwsberichten op en voegt dan delen van verschillende berichten samen. ‘Daardoor ontstonden heel rare berichten als “Prinses Beatrix heeft een bezoek gebracht aan de Antillen. Er vielen tweeduizend doden”.

Na de scheiding van zijn ouders in 1978, trekt hij samen met zijn moeder en broer in bij zijn stiefvader aan de Koningslaan in Utrecht. ‘Een kakbuurt’, aldus De Jongh. Regelmatig botst hij met zijn stiefvader, die verbaal agressief en dominant was. ‘Hij was iemand die tegen me begon te schreeuwen als ik me niet aan de regels hield. Ik had bijvoorbeeld een verschrikkelijke hekel de vetrandjes van vlees. Mijn stiefvader dwong me ze toch op te eten. Ik legde die randjes dan op de rand van het bord, hopend dat ik er op een manier vanaf kon komen. Soms stopte ik ze in m’n broekzak of gaf ik ze aan de kat. Maar in sommige gevallen bleef mijn stiefvader ernaast zitten, totdat ik die pure vetranden kokhalzend opat. Ik weet nog precies hoe het is als het tussen je tanden zit, dan heeft het vet een soort veerkracht. Afschuwelijk was het.’

Zei hij waarom u het moest eten?

‘Ik moest me aan zijn regels houden. Daar was geen discussie over. Dan zei hij: “Hier gelden mijn regels en tot je achttien bent, doe je wat ik zeg”.’

En uw moeder? Wat deed zij?

‘Zij koos voor hem. Ze probeerde af en toe te bemiddelen – uiteindelijk is ze ook bij hem weggegaan – maar in die tijd koos ze voor hem. De generatie van mijn stiefvader heeft de hongerwinter meegemaakt en kan het niet verkroppen als er eten wordt weggegooid. Hij was tien toen de oorlog uitbrak. Mijn moeder is in de oorlog geboren. Maar ook zij vond dat je gewoon je bord leeg moet eten.’

Om de botsingen uit de weg te gaan, trekt De Jongh zich terug op zijn slaapkamer, waar hij een groot archief aanlegt. Eerst verzamelt hij postzegels, maar later komen daar knipsels en covers van VPRO Gidsen bij, die hij in een boek bundelt. De Soulshow, het radioprogramma voor zwarte muziek dat tot 1988 op Hilversum 3 door de TROS werd uitgezonden, neemt hij iedere week op. Alle nummers ordent hij in een catalogus, op alfabetische volgorde van de artiesten. Ook de belangrijkste stukken uit NRC Handelsblad worden door De Jongh uitgeknipt en in een jaarboek geplakt. ‘Daar schreef ik tekstjes en een inleiding bij. Teksten in de trant van: “1984: een bewogen jaar”. Dat vind ik nu natuurlijk heel komisch. Maar toen was het bitter serieus. 1984 Was een bewogen jaar.’

De Jongh zit dan op het Stedelijk Gymnasium dat zich in de villawijk van Utrecht bevindt. Thomas van Luyn (cabaretier),en Bastiaan Geleinse en John Reid, twee van de oprichters van de strip Fokke en Sukke, zitten bij hem in de klas. Zijn fascinatie voor geluidsopnames is er dan nog steeds. Regelmatig gaat een bandrecorder mee naar school. ‘Met name naar de lessen van docenten die geen orde konden houden’, vertelt De Jong. ‘Dan wilde ik anderen kunnen laten horen hoe bizar het in die les eraan toe ging. Een vriend van mijn vader die ook docent was, hoorde ooit een seconde van zo’n opname, niet eens de ergste, en zei: “Wát is dat voor kermis?”. Ik kon veel keten in de klas, terwijl de school tegelijkertijd heel autoritair en streberig was.’

Hoe ging dat keten?
‘Van grapjes woordspelingen bij dingen die de juf zei tot propjes gooien aan toe. Het geijkte pestwerk. De meeste van mijn klasgenoten hielden er op een gegeven moment mee op, maar ik ben tot de vierde, vijfde klas doorgegaan. Op een gegeven moment smeekten klasgenoten of ze een repetitie konden maken zonder dat ik erdoorheen praatte. Ik werd ook vaak geschorst door de rector, die nooit vroeg wat er aan de hand was. Niemand op school vroeg of er thuis iets aan de hand was’.

En hoe waren uw klasgenoten? Had u vrienden op school?

‘In het begin wel, maar ik hoorde er niet echt bij. Thomas en John waren de alternativo’s van de school; daar wilde ik graag bijhoren. Zij zaten in een zangclubje en speelden piano; ik deed dat ook. En de schoolkrant, niet te vergeten. Daar had ik makkelijk bij gekund. Maar door mijn onzekerheid dacht ik dat dat niet voor mij was weggelegd. Ik maakte heel veel grapjes in de klas. Dat maakte het voor mensen in mijn omgeving moeilijk mij te peilen en contact met mij te maken. Misschien hield ik door mijn onzekerheid juist mensen op afstand.’

Wat voor grapjes waren dat?

‘Van alles, mensen in de maling nemen bijvoorbeeld. Er werd ook veel om mij gelachen. Ik was misschien ook wel de grappigste in de groep. Er zijn uitgerekend drie komieken uit die klas komen, maar de geestigste van allemaal wordt nooit gehoord.’

Waar was u zoal onzeker over?

‘Over mijzelf. En allerlei sociale dingen. Meisjes bijvoorbeeld, en hoe ik die moest versieren. Ik dacht dat ik nooit een vriendinnetje zou krijgen. Het waren dat soort fundamentele angsten waar ik last van had. Ik denk dat ik een extreme puber was, nog onzekerder dan een gemiddelde puber. Dat waren de jaren van de Soulshow en de plakboeken. Ik was erg eenzaam en had weinig contact met klasgenoten.’

Beïnvloedden die angsten uw leven?

‘Ik dacht er veel over na. Ik had bijvoorbeeld ook een gigantische angst om te blozen. Op een zeker moment durfde ik niet eens meer naar school, omdat ik bang was te blozen. En het blozen was niet zo erg, maar de angst om te blozen. Dat was het ergste. Daarnaast had ik een extreme angst om kanker te krijgen. Ik was heel hypochondrisch. Toen ik een schijfje in mijn borst had, dat aangroeide, durfde ik niet naar een arts te gaan. Ik dacht: dit is gewoon kanker en ik moet afscheid nemen van de wereld. Ik liep over straat en dacht dat het mijn laatste keer kon zijn. Uiteindelijk heb ik er een arts naar laten kijken en viel het allemaal mee.’

De Jongh studeert communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en werkt bij StudentenTV van de lokale zender SALTO. Daar leert hij alle facetten van het film- en televisie maken beheersen. Er volgt een stage bij Frans Bromet, die na een paar weken eindigt omdat Bromet hem ontslaat. Een situatie die hij uitgebreid bespreekt in het portret dat hij in 2008 van de documentairemaker maakt: De grens van Frans Bromet. Daarin zoekt De Jongh naar veel voorkomende woorden in het werk van Bromet.  In de montage laat De Jongh Bromet voortdurend ‘hoe’ en ‘waarom’ zeggen. ‘Dat heeft iets pesterigs’, erkent De Jongh. ‘Ik denk ik op de middelbare school leerde hoe ik met taal en situaties kon spelen. Ik kon er menselijk gedrag observeren en becommentariëren. Dat doe ik nu misschien nog steeds. Alleen wil ik nu niet iemand pesten maar zijn verhaal vertellen. En via hem vertel ik natuurlijk eigenlijk over mijzelf.’

U hebt in een interview over uw vader gezegd dat fotografie voor hem een ideaal middel was om sociale fobieën tegen te gaan. Is filmen dat voor u ook?

‘Ja, ik herken dat wel. Dat mechanisme van mijn vader wat ik in Foto-Eddy beschrijf, heb ik ook. Filmen is een manier om naar de mensen toe te kunnen, maar ik kan ook afstand van hen nemen. Dat heb ik altijd prettig gevonden.’

Was dat  op de middelbare school ook zo toen u geluidsopnames maakte?

‘Ja, ik denk het wel ja. Zodat de mensen naar die cassetterecorder keken in plaats van naar mij. Het gaf me een voetstuk waardoor ik boven de mensen staan. Als je observeert heb je een soort macht over anderen. Dat geeft een prettig gevoel.’

Advertenties